|
Lauwerslegende
In den beginne
begon hier de hemel en de aarde. De Lauwerszee was woest en ledig
en duisternis lag op den vloed. Slechts de maan scheen door de bomen
en alleen de zon neigde ter kimme. En het was die dagen dat er een
bevel van Wodan, de getrouwe Heerser over zin en deugd, en Donar,
die het Al bestierde met Donder en Bliksem, Hellehond en Vagevuur.
Wodan overzag de Vlinderbalg en de Ballast, de Brakzanden en het
Lutjewad, de Groningerbalg en de schildknopen, de Lauwers en Grote
Siege en hij bevond, dat het niet goed was.
Wodan wendde zich tot Neptunus, de god van Zee en ondermaatse zaken,
en sprak: "Zeg, sluit eens even pact met Donar er zorg dat het er
hier wat uit komt de zien." En het geschiedde, dat Neptunus uit
de zee verrees, met alles wat in hem was de hemel aanriep, dat Donar
zich meldde en samen bewerkstelligden zij een ramp, die de natuur
hier ter plaatse over zijn grondvesten deed schuiven. Woedend en
bezeten baande Neptunus zich slingerend zijn weg, de route bepaald
door Donar, en zij kwamen pas tot bedaren ver in het Groninger Land.
En zij benoemden hunne uitbarstingen als de Elizabethvloed. Zo ontstond
de oneindige mozaïek van zee en land, van wad en slik, van Schiermonnikoog
tot Lauwers tou, van Oostmahorn tot Zoutkamp, van Kollumerpomp tot
het huidige Lauwersoog.
Er kwamen boeren in die landstreek, die zich ophielden in 't veld,
en des 's nachts de wacht hielden over hun kudden. Zij zagen brood
en spelen in de nieuw ontstane glorie en zij vestigden zich in nederzettingen
die zij Lains noemden, en Baffelt, en Vierhoez'n en Meulenrie en
Waarfum en Hornhoez'n. En tussen Anjum en Zoutkamp en Dokkumernieuwzijlen
en het Brakzand ontstond de nieuwe leegte, de eindeloze beweging
van eb en vloed, de onuitroeibare uitdaging van de getijden, het
weergaloze reservoir van mossel en spiering, van kwal en krab, van
vogels en kokkels, van vlees en vis. De getijden kregen hun beslag
gedurende eeuwen, de zee nam en gaf, en gaf en nam, spoelde in,
spoelde uit, spoelde over, spoelde onder. De mens raakte geboeid
van dit bijzondere gedonder en vestigde zich aan de boorden van
de Lauwerszee. En zo ontstonden langs het indrukwekkendste gat van
Nederland de mooiste broeinesten van vissers en zeerovers, boeren
en buitenlui, landsverdedigers en dijkenmakers, dichters en plannenmakers.
Hoe ijdel 's mensen plannen zijn, leert ons het jaar 1969, toen
het prachtigste gat van Nederland van de zee en haar getijden werd
afgeschermd door een kolossaal lichaam van klei, zand en keien.
Hoe Zoutkamp en Oostmahorn werden afgesneden van hun bepalendste
inkomstenvoorziening. Hoe de bodem van het Lauwersmeer werd opgedregd
ten behoeve van werkzaamheden ter land, ter zee en in de lucht,
en een tomeloze vloot van plezierschepen, vakantiehuizen en pretplekken,
de natuur op z'n retour, de dorpen sliepen in, de landbouw neemt
de wijk.
Nu wij hier zo vrolijk, lustig en enerverend vertegenwoordigd zijn,
in het verleden de getijden hebben bezworen, de winden tot brieskracht
hebben verkleind en de zeebodem hebben gewonnen, bedenken we dat
we met vereende krachten de terugkerende natuur in het huidige Lauwersmeer
eensgezind en harmonieus begeleiden in ontplooiing, krachtige uitbouw
en nieuwe waarden. Alleen dan kan elke lauwerslegende ons doen koesteren
in de ongerepte schoonheid en nooit ter ziele gaande glans van een
ongerept Lauwersmeer.
terug
naar boven
|
|